Er-zijn

Geen seconde had ik kunnen vermoeden dat het zou gaan zoals het ging. Ik zou naar school gaan en hoge cijfers halen. In werkelijkheid was het daar vooral gezellig en lang leve de vrijheid en hoezo moet ik nog zes proefwerken voor scheikunde maken in de laatste week? Daarna zou ik iets gaan worden want zo gaat dat. Nooit hoor je iemand zeggen ‘Later als ik groot ben, ben ik….’ Want je bent niet iets, je wordt iets.

Later als ik groot ben, word ik minister-president, patholoog-anatoom, FBI-agent of een ander statusverhogend beroep met een verbindingsstreepje. Maar politiek vind ik fascinerend omdat ik een buitenstaander ben. Als ik politici journalisten te woord zie staan zucht ik geërgerd en schreeuw ik naar de tv dat ze moeten antwoorden want ze zitten er voor mij. Voor u. Voor ons, de mensen. Het volk, De Burger (“Ik hoor het u zeggen, mijnheer-met-de-plopkap, maar ik weet van niets, mijn ambtenaren ook niet en ik ben nog niet door Brussel gebeld, dag!”). Voor patholoog-anatoom had ik echt iets langer door moeten studeren en FBI-agent word je niet zonder Amerikaans paspoort. En die kans is voorlopig wel verkeken met de alom geprezen en door een ieder zeer geliefde Oranje Leider aan het roer. Daarnaast schijn je als special agent ook vrij hard moeten kunnen rennen en als ik ergens een godsgruwelijke hekel aan heb dan is het wel rennen. Ook vermoed ik dat het bij de Federale Politie der Verenigde Staten heus niet enkel draait om schieten en het rijden in heel grote zwarte auto’s. En dat vind ik, als ik zoek naar een baan, wel echt een enorme pre.

Later als ik groot ben is een zin die ik nooit afmaakte want ik werd ziek. Misselijkmakend ziek. Iets met een kapotte nier die mij deed kotsen als dat meisje uit de Exorcist en mij wanhopig deed verlangen naar niet meer zijn en voelen. Maar ook dat verdween na tussenkomst van de medische wetenschap en iemand die dus wel door had gestudeerd (de wetenschap is toch zo’n prachtige uitvinding, u zou het echt eens moeten proberen). En wanneer het precies gebeurde herinner ik me niet maar er kwam een moment dat ik vond dat er meer moest zijn dan alleen maar ikzelf. Ik besloot dat ik alles moest kunnen en snappen, ik ben namelijk niet bepaald op mijn achterhoofd gevallen. Een baan onder mijn niveau? Doen we. Een baan die niet bij mij past maar die ik wel moet aannemen omdat er nou eenmaal gewerkt moet worden voor het geld? Doen we ook. Ik zag mijn hoofd als een robot die ik wel even zou programmeren: werk gewoon mee, dan gaat het vanzelf beter. Maar het werkte niet mee en het ging nooit beter.

En daar moest een oplossing voor komen. Ik zal moeten accepteren dat ik geen minister-president word, noch patholoog-anatoom of FBI-agent. Ik zal nooit worden zoals al die anderen want ik ben niet al die anderen. Te lang heb ik geprobeerd mezelf in een bepaalde vorm te gieten, omdat dat zo hoort. Omdat de maatschappij zo is ingericht: je wordt geboren, gaat naar school, werken, je sticht een gezin of neemt tien katten, dan volgt met een beetje mazzel een pensioen en dat was het dan. Maar ik heb nooit voor me gezien hoe deze raderen precies in elkaar draaien of hoe je dat bereikt. En toen ik daar eens over nadacht besefte ik dat dat me ook helemaal niet interesseert. Ik heb geen behoefte aan een degelijke auto, 1,71 kind of een tuin op het zuidwesten. Een enorm huis wil ik ook niet, want ik woon al vrij ruim in mijn eigen hoofd. Daarna bleef over wat restte: ikzelf. En ik weet eigenlijk niet op welk punt ik besloot dat dat niet genoeg was.

Er-zijn
Tags: